Concert zonder uitgesproken hoogtepunten

In het kader van een grote wereldtournee en ter promotie van het nieuwe album ‘In Spades’ geeft de Amerikaanse alt-rockband The Afghan Whigs vanavond een voor ons land exclusief concert in poptempel Paradiso in Amsterdam. Hoewel het optreden in het teken staat van de nieuwe plaat komen vanavond ook de nodige nummers uit de glorietijd van frontman Greg Dulli en consorten voorbij.

Het voorprogramma van vanavond is van Ed Harcourt, maar het blijkt bepaald niet de beste avond te zijn van deze Britse singer-songwriter en multi-instrumentalist. Alles zit tegen. Als hij voor slechts een handjevol mensen begint aan zijn optreden kampt hij met technische problemen en ook zijn handen werken niet mee. De man met de warme, hese en krachtige stem scheldt zijn vingers uit als hij op de piano de verkeerde noten speelt, en vloekt als zijn trapdoos dienst weigert. Als vervolgens ook nog eens de verkeerde song uit zijn laptop komt, zit Harcourt er al zichtbaar doorheen.

Met zijn jarenlange ervaring en samenwerkingen met niet de minste artiesten, waaronder Patti Smith en Marianne Faithfull, zou je verwachten dat Harcourt wel wat gewend is en deze tegenslag niet meteen van invloed zou zijn op zijn podiumpresentatie. Jammer, een gemiste kans en waarschijnlijk zijn slechtste half uur ooit …

The Afghan Whigs is een van de bands die nog overgebleven is uit de roerige jaren ‘90. De uit Cincinnati, Ohio afkomstige band bestaat al sinds 1986 en maakte in totaal acht platen. Het album ‘Gentlemen’, met songs als Debonair en Gentlemen, is wel het meest bekend. In 1994 stond de band in ons land op zowel Lowlands, Pinkpop als Pukkelpop en twee jaar later ook op Rock Werchter. Daarna volgde een lange radiostilte, maar inmiddels hebben ze met ‘In Spades’ een nieuwe plaat uit.

The Afghan Whigs openen met Birdland, het nummer waarmee ook het album ‘In Spades’ opent. Een origineel en gedurfd nummer dat anders klinkt dan alle andere songs van de band. Dulli begint in zijn eentje het publiek toe te zingen op de synth-tonen en zangkoortjes uit de speakers en zijn herkenbare stem komt goed tot zijn recht. Als even later de band zich bij hem op het podium voegt gaat het nummer over in Arabian Heights.

Dave Rosser

Opvallend is ook dat support-act Ed Harcourt dit nummer meespeelt. Naast het feit dat het bewonderenswaardig is dat voor- en hoofdprogramma de handen ineen slaan, zit hier helaas ook wel een donker randje aan. In juni van dit jaar overleed namelijk Whigs gitarist Dave Rosser aan kanker. Dat er op deze manier muzikaal invulling wordt gegeven aan dit verlies, werkt ontroerend. Later in de set wordt nog een nummer aan Rosser opgedragen; You Want Love van Pleasure Club, de band waar en Dulli en Rosser samen zo vaak naar toe zijn geweest om ze live te zien.


Het geluid mag met vier gitaristen (Hartcourt blijft veel nummers op gitaar meespelen) snoeihard genoemd worden. Maar de stem van Dulli klinkt er altijd bovenuit. Ook zijn teksten zijn, ongeacht de plek waar je staat, goed verstaanbaar. Liefde, lust, woede, alles passeert de revue. En altijd zingend vanuit zijn tenen. Soms hartverscheurend, soms boos, en af en toe er ‘n beetje naast. Dat hoort bij hem. Dulli komt er ook prima mee weg.

Fountain and Fairfax 

We horen veel nummers van de nieuwe plaat, waaronder Oriole, Light as A Feather en Toy Automatic. Hierbij valt op dat het publiek de nieuwe songs nog niet meezingt. Dat is wel het geval bij Fountain and Fairfax van het album ‘Gentlemen’ (1993) en bij Somethin’ Hot van het album ‘1965’. Overigens verscheen in dit zelfde Paradiso jaren geleden tijdens dit nummer vanuit het niets ineens een Rudeboy op het podium. Jammer dat hij er niet weer bij is, maar het memorabele moment van deze avond volgt vast snel want dé grote hits zijn dan nog niet gespeeld. Mede hierdoor lijkt de sfeer ‘afwachtend’. Natuurlijk, de nieuwe cd moet gepromoot, maar het publiek (10% vrouw, 90% man) wacht stiekem nog steeds op nummers als Debonair en Gentlemen.

De sfeer is opperbest bij John the Baptist, afkomstig van het in 1998 uitgebrachte album ‘1965’, de laatste plaat van de band voordat zij uit elkaar gingen. Een conflict met de platenmaatschappij deed hen uiteindelijk de das om. Alhoewel Dulli wel muziek bleef maken en wat nevenprojecten had met o.a. The Twilight Singers raakte hij in een depressie. Het duurde maar liefst zestien jaar voordat ‘Do to the Beast’ uitkwam en er een wereldwijde come-back tour volgde. Maar de fans waren The Afghan Whigs zéker niet vergeten en ook vanavond is Paradiso nagenoeg uitverkocht.

Als een tot dusver niet echt spraakzame en inmiddels drinkende Dulli aan het publiek vraagt of ze terug willen in de tijd, klinkt er een oorverdovend JA! Of we ver terug in de tijd willen? Jazeker! Met Son of the South horen we vervolgens een nummer uit de tijd dat ze nog bij Subpop zaten, wat hen gratis het bandgenre ‘grunge’ opleverde. Maar als de cover I Can’t Make You Love Me van Bonnie Raitt voorbijkomt rijst wel de vraag, waarom? The Afghan Whigs hebben zelf zoveel goede nummers. ‘Waarom niet?’, vraagt een fan. “Ik heb ze trouwens wel eens beter zien spelen”, zegt zij er achteraan. Een andere fan onderbreekt hierop het gesprek en zegt: “Ik heb ze ook wel eens slechter zien spelen!”.

Geen echt hoogtepunt

Tijdens het slotnummer Faded wordt de band voorgesteld, maar dringt ook het besef door dat we Debonair en Gentlemen wel op ons buik kunnen schrijven. Schreeuwen om een toegift heeft geen zin. De lichten gaan aan, de muziek begint en de mensen dringen zich per direct naar de uitgang. Verbouwereerd blijvende nodige fans achter met een on-af gevoel. Het is zéker niet zo dat The Afghan Whigs zich er, met een setlist van 24 nummers, makkelijk van af hebben gemaakt, maar op de één of andere manier heeft de avond geen echt hoogtepunt gekend. En dat is niet wat we van The Afghan Whigs gewend zijn.

Tekst: Mariska Lie A Ling || Foto’s: Wout van Breugel

 Website The Afghan Whigs

error: Content is protected !!